Vrijblijvend

KOERSOPDUURZAAM

ondernemen met hart voor het milieu

Is het nog helemaal aan de ondernemer zelf om zo milieuvriendelijk mogelijk te werken? Of kan hij door alle codes, convenanten en dergelijke niet meer anders? En omgekeerd: leidt ‘het poldermodel’ tot een beter milieu? Of kunnen we beter terug naar milieuorganisaties die actie voeren en de overheid die alleen maar voorschrijft? 

  

De sectie Duurzaam Ondernemen organiseerde op 18 maart het derde VVM-debat over duurzaam ondernemen (zie Milieu 2008-7 en 2009-3 ). Het werd die eerste lenteachtige dag nog een verhitte discussie over de zin en onzin van codes en convenanten versus wetgeving en belastingen.

 

Betonning

Het begon nog zoet: Michiel van Yperen (MVO Nederland) toonde eerste duurzame Mars. Niks aan te zien natuurlijk; maar wel een mooie illustratie van zijn boodschap. Mars wil in 2020 alleen maar duurzame cacao gebruiken. En dan gaat het om 30% van de wereldmarkt! Dan moeten bedrijven als Nestlé wel volgen. Is het niet uit overtuiging, dan wel onder druk van de milieubeweging: Greenpeace was net de dag voor deze bijeenkomst een campagne tegen Nestlé begonnen. Grote bedrijven moeten zich er bewust van zijn dat ze niet meer alleen voor hun aandeelhouders werken. Ook financiers, afnemers en non-gouvernementele organisaties (NGO’s) vragen om duurzaam ondernemen. En als je tekortschiet dan is dat via internet snel bij iedereen bekend. Maar er zijn ondertussen al zoveel codes en richtlijnen dat ondernemers erin verzuipen. Daarom zijn checklists, certificaten en verbeterprogramma’s toegankelijk gemaakt in de zgn. ‘navigator’ (www.oesorichtlijnen.nl/navigator). Maar het is dan nog aan de ondernemer om de code te kiezen die het beste bij hem past…….. Zijn dat de OESO-richtlijnen; die  milieumanagement en best mogelijke techniek voorschrijven? Of branchecodes; die specifieker zijn, maar gericht op de gemiddelde milieuprestatie in de branch. 

  

Het is allemaal volgens de communicatie manager OESO-richtlijnen niet meer dan een betonning op zee. Je loopt niet vast als je er binnen blijft, maar je komt pas echt verder met een concreet verbeterprogramma. Zoals het Initiatief Duurzame Handel in verschillende sectoren heeft opgestart. Je moet het hebben van koplopers. Bijvoorbeeld Ikea dat in 2015 helemaal geen pesticiden meer wil gebruiken in de katoenteelt, terwijl de branchecode het houdt bij verantwoord gebruik van bestrijdingsmiddelen. Niettemin is het in veel landen al een stap voorwaarts als bedrijven zich houden aan de lokale wet- en regelgeving. Zo heeft van Yperen zelf in de textielindustrie in China gezien dat de milieuwetgeving weliswaar vaak goed is; maar door de overheid helemaal niet gehandhaafd wordt.

  

Convenantologie

Convenanten gaan een stap verder dan richtlijnen en codes: ze bevatten concrete afspraken tussen overheid en bedrijfsleven. De MeerjarenAfspraken Energie leverden in de eerste vijftien jaar 2% energiebesparing per jaar op. In 2007 werden ze dan ook gecontinueerd in sectorakkoorden onder het Duurzaamheidsakkoord. Kennelijk dus een zeer effectief instrument. Alleen al omdat het sluiten van een convenant veel sneller gaat dan wetgeving. Misschien dus niet gek dat ons ‘polderland’ kampioen is op het gebied van convenanten. Maar Jan-Coen van Elburg plaatst daar forse vraagtekens bij. Hij baseert zich o.a. op onderzoek van professor Dijkgraaf van de Erasmus Universiteit naar de effectiviteit van energieconvenanten in een groot aantal landen. Hij vond geen bewijs voor de effectiviteit van convenanten, maar duidelijk wel voor de effectiviteit van belastingen (zie figuur). Als je convenanten leest dan blijkt meteen wat het grootste manco is; ze zijn vaag. Dat wordt verhuld in semi-juridisch taalgebruik als ‘partijen spannen zich maximaal in’, ‘werken routes uit’, ‘bieden een gezamenlijk perspectief’. Als er al harde afspraken in staan dan zijn dat afspraken die al eerder waren gemaakt. Ander manco is dat convenanten zich vooral op de middelmaat richten, zodat zoveel mogelijk bedrijven mee kunnen doen. Eneco, koploper in duurzame energie, wilde daarom niet eens meedoen met het sectorakkoord: het vond dat het niet ver genoeg gaat. De resultaten van convenanten worden ook niet goed gemonitord en er zijn geen consequenties als het convenant niet wordt nageleefd. Volgens Van Elburg lijken convenanten meer opgesteld voor het fotomoment met de Minister, dan dat ze het resultaat zijn van een serieuze afweging van alternatieve beleidsinstrumenten. Hij heeft er een nieuw woord voor bedacht: ‘convenantologie’ (zie ook Milieu nr. 7-2009). De consultant van de RebelGroup pleit er voor om alleen nog convenanten af te sluiten als er geen beter instrument is en als er heldere meetbare doelstellingen zijn. Bovendien dient er een stok achter de deur te zijn als het convenant niet werkt.

  

Samenwerken

Bedrijven kunnen ook gezamenlijk het voortouw nemen. Zo schreven tien grote Nederlandse banken vóór Kopenhagen een brief aan het kabinet waarin ze pleitten voor vergaande afspraken voor CO2-reductie. Ze willen daar zelf in samenwerking met milieuorganisaties aan bijdragen. Maar daar ging wel heel wat aan vooraf, vertelt Babs Dijkshoorn, MVO manager bij Fortis Bank Nederland. Het begon allemaal met een onderzoek naar investeringen in duurzame energie voor de Eerlijkebankwijzer (www.eerlijkebankwijzer.nl); een initiatief van een aantal NGO’s, waaronder Milieudefensie. De banken en de NGO’s waren het niet eens over de onderzoeksmethode. De NGO’s dreigden er vervolgens uit te stappen, en de banken vreesden dan ‘een nieuwe Zembla’ (als drie jaar geleden over wapens). Verschillende vormen van engagement – dialoog en campagne - gingen door elkaar lopen; en dat werkt niet! Toch leidde de discussie er uiteindelijk toe dat de banken meer gaan investeren in duurzame energie. Voor Fortis was het ook aanleiding om een nieuwe aanpak te formuleren voor de dialoog met NGO’s . Fortis wil kennis delen en praten over milieuvraagstukken, en niet ‘van incident naar incident hollen’. Het ging daarom opnieuw kennismaken met maatschappelijke organisaties. Die werden ingedeeld in vier soorten: ‘haaien’ (vallen instinctief aan), ‘orca’s’ (slim, maar onvoorspelbaar), ‘dolfijnen’ (flexibel en leren snel) en zeeleeuwen (professioneel, ‘mainstream’).

  

Wetgeving

Natuur en Milieu is volgens Dijkshoorn een kruising tussen een orca en een dolfijn. Teammanager Sijas Akkerman van deze stichting voelde zich als een vis in het water met die typering. Natuur en Milieu baseert zich op wetenschappelijke inzichten. Het wil vernieuwend en oplossingsgericht zijn; zoals met de coöperatie Zeekracht voor wind op zee en met de elektrische auto c,mm,n (Common). Zo’n technologische vernieuwing kan leiden tot een duurzamer systeem. Natuur en Milieu is dus een redelijke ‘dolfijn’, maar ook een beetje onbetrouwbare ‘orca’; en soms ook een ‘haai’. Het wil ‘prikkelend samenwerken’ met bedrijven: er moeten wel echt stappen gezet worden! En anders mogen ze best een beetje bang van je zijn. Natuur en Milieu sleepte bijvoorbeeld Shell Moerdijk voor de rechter om de toepassing van best beschikbare technieken af te dwingen. Maar het is steeds meer een partner van het groene bedrijfsleven. Zoals van Albert-Heijn waarmee het een lange-termijn plan ontwikkelt om te komen tot voedsel zonder bestrijdingsmiddelen. Of met BCC, waarmee het een top-10 van energiezuinige apparaten opstelde. Het wil dergelijke koplopers in de ‘take-off’- fase ondersteunen met kennis. Natuur en Milieu wil daarmee indirect ook andere bedrijven (‘het peloton’) in een sector in beweging krijgen. Maar daarvoor is een ‘level-playing-field’ nodig; zodat Aldi niet met Albert-Heijn concurreert door geen duurzaam varkensvlees te verkopen. Akkerman vindt daarom dat in de stabilisatiefase wetgeving nodig is om nieuwe milieunormen ook aan de achterblijvers op te leggen.

  

Vrijblijvendheid

Die stelling bleek een heftige discussie los te maken. Dat codes en convenanten nog niet scherp genoeg zijn, daar was men het wel mee eens. Maar ‘alleen met het vingertje kom je er ook niet’. Wetgeving kost bovendien veel energie om te handhaven en kan soms averechts werken. Je moet ook ‘incentives’ geven en het proces van duurzaam ondernemen ondersteunen. Anderzijds zijn er weinig voorbeelden van grote milieuwinst die zonder de overheid is bereikt. Ok; de PVC-industrie heeft cadmium eruit gehaald voordat er regelgeving kwam. Maar er is ook actief verzet van bedrijven tegen milieumaatregelen; zoals van supermarkten tegen het afdekken van koelingen. En een struikelblok is dat echte transities geld kosten en dat de consument er nog te weinig voor over heeft. Daarom zijn financiële prikkels nodig. Zoals het emissiehandelssysteem, dat een positief effect kan krijgen als de prijs van CO2 in de toekomst hoger wordt. Toch een instrument dat door overheden is geïntroduceerd….. Kortom: koplopers kunnen belangrijke stappen zetten, maar allerlei vrijwillige afspraken zijn nog veel te vrijblijvend om belastingen en wetgeving te vervangen.