Betrouwbaar duurzaam inkopen, kan dat? Duurzaam inkopen staat volop in de belangstelling. Maar kun je als bedrijf eigenlijk wel betrouwbaar duurzaam inkopen? En kan de consument er dan wel van op aan dat producten voldoen aan wettelijke milieueisen? Tijdens een recente VVM-bijeenkomst bleek dat er nog het nodige werk aan de winkel is. Te meer daar steeds meer wordt ingekocht in lagelonenlanden. Allianties van koplopers Joost Oorthuizen van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) gaf de aftrap met een overzicht van de stand van zaken met betrekking tot duurzaam ketenbeheer. Het IDH spreekt concrete verbeterprogramma's af met allianties van bedrijven, NGO's en overheid. Niet heel veel praten, zoals in veel "rondetafels" vooral gebeurt, maar doen! Door onder andere certificering en training. Zoals in de cacao- en de sojasector, waarin Nederland de grootste – resp. één na grootste – importeur ter wereld is. We hebben daarmee een flink aandeel in de ontbossing. Grote bedrijven als Mars, Nestlé, Ahold en Unilever werken nu aan gecertificeerde duurzamere teelt. En de anderen moeten dan uiteindelijk volgen; meent Joost Oorthuizen: "Volgens mij gaan we naar 100% duurzaam". Natuurlijk ook door milieuwetgeving. En belangrijk is dat de overheid al volgend jaar duurzaam gaat inkopen. Maar je ziet ook in het bedrijfsleven vooruitgang. Zo blijkt uit de ketenbeheerbenchmark van de VBDO dat meer aan training van leveranciers en inkopers op het gebied van duurzaamheid wordt gedaan. De kerncompetentie van inkopers was altijd "rattengedrag"; oftewel het zoveel mogelijk uitknijpen van de leverancier. Maar sinds tien jaar vragen we ze om ook naar duurzaamheid te kijken en om de leverancier daarbij te helpen. Maar het valt niet mee om een duurzame rat te zijn. Gelukkig is er inmiddels wel een gevoel van urgentie in het bedrijfsleven. Oorthuizen hoorde op een agrarische conferentie in Washington alle aanwezige multinationals zeggen dat het zo niet langer kan en dat het roer radicaal om moet. Twintig jaar geleden hoorde je dat nog alleen van de NGO's. Nu wint de opvatting terrein dat de keuze niet aan de consument gelaten moet worden, maar dat alleen duurzame producten moeten worden aangeboden. Zo is Ikea grote plantages aan het opzetten om alleen nog maar katoen zonder pesticiden te kunnen leveren. Koplopers gaan dus hard; zeker als ze er een commerciële kans in zien. Toch blijft het peloton nog ver achter; getuige de zeer lage gemiddelde score voor ketenverantwoordelijkheid in genoemde benchmark (zie afbeelding). Gezond wantrouwen Maar bij duurzaam inkopen komt ook heel veel kijken, legt Hans Poulis uit. Hij is importeur van promotionele artikelen en voorzitter van de branchevereniging Platform Promotionele Producten. De Nederlandse import uit China is enorm. Alleen al 20 miljoen containers per jaar in de haven van Rotterdam. Daarvan wordt maar 0,02% gecontroleerd. En als je kwaadwillend bent dan voer je in via Antwerpen, daar wordt helemaal niet gecontroleerd. Er komen dus producten door die niet zijn getest en niet aan de eisen voldoen. Dat bleek wel bij de Mattel-affaire. De speelgoedfabrikant moest miljoenen artikelen terugroepen vanwege onder meer loodhoudende verf. Overigens leidde deze affaire ertoe dat de Chinese overheid ging controleren en duizenden fabrieken liet sluiten. Toch blijft importeren uit China zeer aantrekkelijk; het maandloon bedraagt er $ 70,-. Maar je moet de fabrikant heel goed informeren over de specificaties. En de wettelijke eisen zijn overal anders; soms zelfs binnen Europa. Dat vergt zoveel kennis dat de branchevereniging voor promotionele producten een speciale helpdesk heeft ingesteld. Een tweede vereiste is om bij de productie aanwezig te zijn en om het product te laten testen. Dat moet gebeuren door een betrouwbaar bureau, want ook daar komt corruptie voor. En je moet de uiteindelijke levering testen; niet de vooraf beschikbaar gestelde monsters. Ook als je een langdurige relatie met een leverancier hebt. Want een Chinees zegt altijd ‘ja’, ook als hij ‘nee’ bedoelt. Een ‘code of conduct’ alleen is dus niet voldoende, want daar zit geen controle op. Poulis pleit er dan ook voor om bij de importpapieren verplicht ook een testrapport te laten voegen. Certificering van de keten Voor houtimport is het testprobleem opgelost met keurmerken. Naast het bekende FSC kan ook het logo van het ‘Program for the Endorsement of Forest Certification (PEFC) schemes’ op hout of papier voorkomen. Kees Boon is voorzitter van PEFC. Hij schetst het probleem van ontbossing dat oorspronkelijk door NGO's is geagendeerd. Ieder jaar verdwijnt er maar liefst 13 miljoen hectare bos, wat de grootste oorzaak is van de toename van broeikasgassen. Deels wordt dat hout ook verbrand; in de derde wereld om te koken en in Europa voor duurzame energie. Het bijzondere van het PEFC-keurmerk voor hout (en papier) is dat de criteria per land door de plaatselijke stakeholders worden vastgesteld. Voordeel is dat door het lokale draagvlak een groter deel van de bossen gecertificeerd kan worden. Daar staat tegenover dat er goede en minder goede landen zijn, wat mede afhankelijk is van de kracht van milieuorganisaties ter plaatse. Zo staat PEFC-hout uit Duitsland en Finland goed bekend. Maar er komt ook hout uit landen waar minder strenge criteria zijn gesteld. Je kunt natuurlijk discussiëren over de vraag wat "duurzaam" is, maar de doelstelling van PEFC is in ieder geval om bossen in stand te houden. In Europa gelden daarbij de in 1993 door de Ministers in Helsinki afgesproken criteria. Dat begint bij legale oogst en certificering van het bos. Maar een bosbeheercertificaat geeft slechts garantie tot de bosrand. Daarom certificeert PEFC ook de toeleveringsketen; die met een nummer op het product kan worden teruggevolgd. Overigens zijn we er nog bij lange na niet: slechts 8% van het bos in de wereld is gecertificeerd. Auditen en samenwerken Jan Roodenburg is bij Philips verantwoordelijk voor duurzaamheid in de toeleveringsketen. Philips importeert 76% uit lagelonenlanden. Het wil daarbij zijn merknaam niet in gevaar brengen. Om die reden is allereerst het aantal directe toeleveranciers drastisch teruggebracht tot toch nog 15.000. Daarvan worden er op basis van risicoanalyse nog 1.000 als ‘rood’ aangemerkt; dus met een hoog risico. Die gaan allemaal door een audit, waarbij onder meer wordt gekeken naar milieuvergunningen, vervuiling en gevaarlijke stoffen. Dat is behoorlijk complex geworden door recente Europese regelgeving voor het gebruik van gevaarlijke stoffen in producten. De audits kosten dus veel tijd. Daarom wordt ook door de brancheorganisatie EICC geaudit; dat is een stuk efficiënter. Niettemin pleitte Roodenburg ervoor om het aantal verboden milieubelastende stoffen beperkt te houden. “Beter minder criteria, maar wel betrouwbaar borgen. Je kunt beter stap voor stap zorgen dat je wat je doet goed doet.” Op basis van zijn ervaring met kwaliteitsaudits schat Roodenburg dat het sowieso tien jaar kost om met duurzaamheid in de keten op niveau te komen. Leveranciers worden daarom ook getraind en er wordt gezamenlijk gewerkt aan oplossingen. Dat is onderdeel van een ontwikkeling van ‘politieman spelen’ naar samenwerken aan duurzaamheid. Blijft een leverancier echter ‘rood’, dan mag een Philips-inkoper geen zaken meer met hem doen. Anders wordt hij daarop aangesproken en kan het ten koste van zijn bonus gaan. Toch werkt er ook binnen het bedrijf wel eens iemand niet volgens de regels, dus ook daar blijft zendingswerk nodig. Niettemin heeft Philips voor zijn ketenbeheeraanpak zowel over 2007 als 2008 (samen met Unilever) de VBDO Ketenbeheeraward gewonnen. Markt of overheid? Geconfronteerd met een aantal stellingen bleek dat van de aanwezigen iedereen vond dat het bedrijfsleven verantwoordelijk is voor duurzaamheid in de keten. En dat het die verantwoordelijkheid ook door samenwerking en certificering best kan invullen. Maar in de praktijk is het nog lang niet zover. Hans Muilerman, inmiddels bij het panel aangeschoven namens de Stichting Natuur en Milieu, vond daarom dat ook de overheid meer zijn verantwoordelijkheid moet nemen. “Het idee dat de markt het moet doen is doorgeschoten. Daar gaan we het niet mee redden. De milieuproblemen zijn daarvoor te groot. En Nederland loopt ook nog eens achter bij de aanpak daarvan. Dat vroeg om een reactie van panellid Jan van Wijngaarden van het Ministerie van Economische Zaken. Hij stelde dat de Nederlandse overheid met duurzaam inkopen juist voorop loopt. Voor een strenger milieubeleid geldt nou eenmaal dat Nederland veel buitenland heeft. Maar we agenderen veel. En je moet ook niet altijd op Europa wachten, maar wel proberen ze mee te krijgen. Hij vindt dat de overheid beter koplopers kan aanmoedigen dan zich bij het peloton aan te sluiten. Boon benadrukt daarentegen nog eens dat Nederland niet verder moet gaan dan de Europese criteria voor aanbestedingen. En ook Poulis vindt dat het bedrijfsleven de eisen niet kan bijbenen. Vanuit de zaal wordt juist opgemerkt dat de inkoopcriteria van de overheid teveel door het bedrijfsleven zijn beïnvloed en vaak niet boven de wettelijke criteria uit komen. Het spanningsveld tussen ‘laat de overheid meer doen’ en ‘hou het voor bedrijven behapbaar’ bleef zogezegd boven de markt hangen. Evenals de vraag of de consument wel wil betalen voor een milieuvriendelijk product. Philips heeft met de spaarlamp ervaren dat eerst het product voor de klant een even goede propositie moet zijn. Maar Oorthuizen wees op het succes van de Marine Stewardship Council, dat duurzame vis in de supermarkten heeft gekregen. Daaruit blijkt nog eens dat samenwerkende bedrijven effectieve stappen kunnen zetten naar een duurzame keten. Niettemin is er in de meeste sectoren nog een hele weg te gaan. |